Burgerinitiatief tegen megastallen in Noord-Holland
Milieudefensie en de Dierenbescherming hebben de krachten gebundeld om de komst van een enorme megapluimveehouderij in Middenmeer te voorkomen. Het plan van was om in de megapluimveehouderij iedere zes weken 1,6 miljoen vleeskuikens op te fokken. Dit leidt tot veel dierenleed en milieuvervuiling. Met een burgerinitiatief heeft de Dierenbescherming bereikt dat de provincie Noord-Holland dergelijke megastallen niet toestaat.
Het bouwplan in Middenmeer is de grootste kippenfabriek die in ons land gepland was. De 1.6 miljoen vleeskuikens worden in zes weken tijd gemest tot een gewicht van ruim twee kilo. Door de snelle groei en een hoog gewicht ondervinden vleeskuikens veel welzijnsproblemen zoals pootaandoeningen en botafwijkingen. Rond de kippenfabriek nemen stank en vervuiling door ammoniak en fijn stof fors toe. Ook verergert het mestoverschot. Studies hebben aangetoond dat door dergelijke megastallen op mensen overdraagbare ziektekiemen vaker voor kunnen komen.
De Dierenbescherming en Milieudefensie vinden dat de provincie Noord-Holland de bouwplannen moet tegenhouden. De samenleving wil immers geen dieren in enorme industriecomplexen, maar vraagt juist om een verbetering van milieukwaliteit en dierenwelzijn.
Milieudefensie en de Dierenbescherming zijn september 2008 gestart met een burgerinitiatief. Het burgerinitiatief ‘Stop Veefabrieken Noord-Holland' is een groot succes! Bij de behandeling stemde een meerderheid van Provinciale Staten voor een motie van Groen Links om de bouw van megastallen nu én in de toekomst te verbieden. De plannen voor de bouw van een megakippenfabriek voor 1,6 miljoen slachtkippen in het Noord-Hollandse Middenmeer zijn hiermee definitief van de baan.
Milieudefensie en de Dierenbescherming zijn erg blij dat het burgerinitiatief heeft gewerkt. De Statenleden hebben naar de oproep van ruim 25.000 burgers geluisterd en in navolging van de provincie Groningen een halt toegeroepen aan deze overtreffende trap van de bio-industrie. Dit standpunt zal eind dit jaar worden opgenomen in de Structuurvisie van de provincie. De komst van megastallen is hierdoor onmogelijk.
Bij deze willen wij jullie hartelijk bedanken voor jullie bijdrage aan het burgerinitiatief. Zonder jullie handtekeningen (ruim 25.000!), steunbetuigingen en aanwezigheid bij de statenvergaderingen was het ons niet gelukt.
Wat zijn de belangrijkste knelpunten op het gebied van dierenwelzijn?
De Dierenbescherming en Milieudefensie zien megastallen niet als vernieuwend maar als het doorgaan op de weg van steeds verdere schaalvergroting en intensivering. Een weg die juist tot zulke grote dierenwelzijns- en milieuproblemen heeft geleid. Over megastallen doen soms fabeltjes de ronde dat zij 'diervriendelijk' zouden zijn. Pertinent onwaar! Onderstaand worden een aantal fabels over megastallen de wereld uit geholpen en de belangrijkste knelpunten op het gebied van dierenwelzijn belicht.
- Fabel 1: Megastallen worden diervriendelijker
- Fabel 2. Megastalondernemers zullen extra investeren in dierenwelzijn
- Fabel 3. In megastallen zal goed gekwalificeerd personeel de dieren verzorgen
- Fabel 4. In megastallen wordt de diergezondheid beter
- Fabel 5. Het ontbreken van het slachttransport bevordert het dierenwelzijn
Fabel 1: Megastallen worden diervriendelijker
Megastallen moeten bij de bouw aan de wettelijke minimum dierenwelzijnseisen voldoen, maar ook kleinere stallen moeten aan die wettelijke minimum dierenwelzijnseisen voldoen. Megastallen worden dus niet diervriendelijker dan andere stallen. De wettelijke minimum dierenwelzijnseisen zijn overigens in de Europese Unie zwaar bevochten compromissen die nog lang geen dierenwelzijn garanderen. De bezettingsgraad bij vleeskuikens in nieuwe Europese vleeskuikenrichtlijn is gesteld op 39 kg/m2 en zelfs 42 kg/m2 als aan enkele extra eisen wordt voldaan, hetgeen neerkomt op zo'n 19 tot 21 kippen per vierkante meter.
De weinig beschikbare ruimte in de stal en de te snelle groei van de vleeskuikens zorgen voor veel leed. Door de scherpe concurrentie in de vleeskuikenindustrie hebben fokkerijbedrijven kuikens jaren lang continu geselecteerd op een snelle groei en grote borstvleesaanzet. In de intensieve veehouderij worden kuikens in zo'n zes weken tijd gemest tot een gewicht van ruim twee kilo. Het rapport van de Wageningen Universiteit in opdracht van het ministerie van LNV beschrijft het leed van vleeskuikens als volgt: "Vleeskuikens hebben door de combinatie van selectie op hoge groeisnelheid, lage voerconversie en hoog aandeel in borstvlees bij slechte strooiselkwaliteit snel last van voetzoollaesies en borstblaren. Daarnaast hebben ze verminderde mobiliteit als gevolg van de lichaamsvorm. Tegelijkertijd groeit het skelet snel waardoor botafwijkingen kunnen ontstaan" (Rapport van de Animal Science Group van de Wageningen Universiteit, oktober 2007). Ook het constante hongergevoel van de vleeskuiken-ouderdieren is een ernstig probleem in de intensieve veehouderij.
Fabel 2. Megastalondernemers zullen extra investeren in dierenwelzijn
Megastalondernemers zullen geld niet uit zichzelf in bovenwettelijke dierenwelzijnsmaatregelen steken. Vlees uit een megastal is niet voor een meerprijs te vermarkten, gezien de maatschappelijke weerstand tegen megastallen. Megastallen gaan wat dierenwelzijn betreft geen van alle verder dan het minimaal verplichte. Door het enorme kostprijsgedreven karakter voert de intensieve veehouderij een ‘race to the bottom' om zo veel mogelijk vlees voor een zo'n laag mogelijke prijs te realiseren. Alles in de megaveehouderij is gebaseerd op economische principes: zo veel mogelijk dieren houden op een zo klein mogelijke oppervlakte. Zo snel mogelijk opfokken, tegen zo laag mogelijke kosten. Nederland kan zich beter onderscheiden op kwaliteit, waaronder een hoog dierenwelzijn, in plaats van door te gaan met bulkproductie. Door veefabrieken tegen te houden willen wij voorkomen dat er miljoenen geïnvesteerd worden in nieuwe veehouderijsystemen die nog altijd een uiterst karig leven aan dieren bieden, met nog steeds ernstige, structurele en moeilijk te wijzigingen tekortkomingen in dierenwelzijn.
Fabel 3. In megastallen zal goed gekwalificeerd personeel de dieren verzorgen
Naarmate veehouderijbedrijven groter worden zal er steeds minder aandacht voor elk individueel dier zijn. In dit soort bedrijven wordt de boer en zijn gezin vervangen door industrie-arbeiders en wordt het dier steeds meer een ding, een productiemiddel. Niet de boer verzorgt zijn dieren, maar een fabrieksarbeider doet zijn rondes door de fabriek waardoor de benodigde individuele zorg voor het dier ontbreekt. Zo kan men laag- of ongeschoold personeel aanstellen dat veel routinematig, monotoon werk doet. Daarin schuilt het risico dat dit personeel door afstomping steeds onachtzamer en ruwer met de dieren omgaat en dat allerlei zaken aan de dieren niet of te laat worden waargenomen. De realiteit van steeds grotere veehouderijbedrijven tot nu toe is dat de gezondheidszorg op pluimveebedrijven bestaat uit het éénmaal daags door de stallen lopen om de dode dieren er zoveel mogelijk uit te selecteren.
Fabel 4. In megastallen wordt de diergezondheid beter
Bij nieuwbouw van varkens- en pluimveestallen kunnen allerlei hygiënemaatregelen genomen worden om de kans op insleep en verspreiding van besmettelijke ziektes te verkleinen. Maar dat gebeurt ook bij kleinere stallen, daar zijn geen megastallen voor nodig. Veterinair gezien zijn zoveel dieren bij elkaar juist een zeer groot risico. De Dierenbescherming maakt zich dan ook zorgen over de kans van een uitbraak van dierziekten. Megastallen zijn te intensief, te grootschalig en te geconcentreerd, waarbij het risico van verwoestende epidemieën veel te groot blijkt.
Door de steeds grootschaliger en intensievere veehouderij is het ook onmogelijk individuele zorg voor dieren te waarborgen. Antibiotica wordt gebruikt om infecties te beheersen. Als een paar dieren ziek zijn, krijgen alle dieren in het bedrijf antibiotica toegediend. Door de jarenlange eenzijdige selectie op productie in de intensieve pluimveehouderij zijn de dieren extra kwetsbaar geworden. Dat leidt tot een toename van het antibioticagebruik. Het Kabinet, de Tweede Kamer maar ook de Voedsel en Warenautoriteit maken zich grote zorgen over de toename van antibiotica aangezien steeds meer bacteriën resistent worden die gevaarlijk zijn voor mensen.
Fabel 5. Het ontbreken van het slachttransport bevordert het dierenwelzijn
Ook het ontbreken van het transport naar het slachthuis is geen reden om te investeren in megastallen. Een min minder, maakt nog geen plus. De dieren lijden een leven lang en dan is het ontbreken van het slachttransport zeker geen dermate voorruitstrevende vooruitgang dat er in dergelijke veehouderijen geïnvesteerd moet worden. Welzijnsverbeteringen zijn te vinden in bijvoorbeeld een langere groeitijd voor de kuikens en meer stalruimte met uitloop naar buiten en een natuurlijke leefomgeving, zoals bijvoorbeeld het geval is in de biologische veehouderij.
Beide zes weken oud. Links een 'normaal' kuiken. Rechts een vleeskuiken. Veel te ver doorgefokt. Veel te groot, veel te veel. Veel te veel ellende.
Moraal van het verhaal
Megastallen zijn niet vernieuwend, maar borduren voort op de bio-industrie. Een industrie die juist tot zoveel dierenleed leidt. De dieren zijn de dupe: een miserabel leven, opeengepropt in krappe stallen. Een leven vol stress en verveling. De Dierenbescherming maakt zich ongerust over de intensivering van de veehouderij en de meer en meer fabrieksmatige manier van omgang met landbouwdieren. In de afgelopen dertig jaar heeft schaalvergroting nooit iets opgeleverd voor de dieren. Waar nu een kleinschalige veehouderij op het platteland nog zou kunnen omschakelen naar een diervriendelijkere veehouderij, is dat bij megastallen uitgesloten. Een kip in een veefabriek op een industrieterrein krijgt nooit meer de kans op een uitloop naar buiten.
Door de steeds grootschaliger en intensievere veehouderij is het onmogelijk individuele zorg voor dieren te waarborgen. De Nederlandse veehouderij wil kostprijskampioen zijn en voert een zogenaamde ‘race to the bottum', waarbij immer op dierenwelzijn wordt bezuinigd. We zouden ons niet moeten willen onderscheiden op de laagst mogelijke kostprijs en bulkproductie maar ons moeten onderscheiden op kwaliteiten, waaronder een hoog dierenwelzijn.
Een risico van schaalvergroting en intensivering is ook dat de afstand tussen mens en dier groter wordt. Zowel binnen als buiten de fabriek. In dit soort bedrijven wordt de boer en zijn gezin vervangen door industrie-arbeiders en wordt het dier steeds meer een ding, een productiemiddel. Je ziet bijvoorbeeld in de steeds grotere pluimveehouderijen dat de gezondheidszorg op de pluimveebedrijven bestaat uit het eenmaal daags door de stallen lopen om de dode dieren er zoveel mogelijk uit te vissen.
Ook buiten de megastal om wordt de afstand tussen mens en dier vergroot. We kunnen onze kinderen straks uitleggen dat kippen en varkens groeien tot kipfilet en karbonade op bedrijventerreinen en vervolgens in een bakje met een cellofaantje erom de fabriek uitrollen. Het verhaal over de scharrelende kip en de knorrende varken met krulstaart in de modder is er niet meer bij.
Wat slecht is, moet je niet op nog grotere schaal toepassen. Kortom geen miljarden investeren in veehouderijsystemen die een uiterst karig leven aan dieren bieden, met nog steeds ernstige, structurele en moeilijk te wijzigingen tekortkomingen in dierenwelzijn.





